Hoofdstuk 1 van 6
Een zaadje heeft drie dingen nodig: vocht, warmte en donker. Meer niet. De meeste laten zich binnen twee tot zeven dagen zien — en als dat niet gebeurt, ligt het zelden aan het zaadje. Meestal is het te veel water, of te weinig geduld.
Dit is de weg die de meesten nemen, en daar is een goede reden voor: je ziet wat er gebeurt. Een zaadje in de aarde is een week lang een vermoeden — op papier zie je het worteltje op dag twee.
Je hebt twee borden nodig, keukenpapier en water. Verder niets.
Het zaadje kan ook meteen daar waar het moet blijven. Dat scheelt je het lastigste moment van het hele verhaal: een ontkiemd zaadje verplaatsen met een worteltje zo dun als papier.
Alles spreekt ervoor als je weinig zaadjes hebt en ze liever niet aanraakt. Ertegen: je zit een week zonder te weten of er iets gebeurt — en een zaadje dat niet aanslaat, laat dat pas merken als de rest allang staat.
Een kweekkasje met doorzichtig deksel is hier geen luxe. Het is de makkelijkste manier om het vocht gelijkmatig te houden, want het houdt de lucht vochtig zonder dat jij water hoeft te geven.
Ongeveer een centimeter, niet dieper. De zaailing duwt zich met de kiemblaadjes vooruit omhoog en heeft daarvoor alleen de energie uit het zaadje — elke extra centimeter aarde is weg die hij zich niet kan veroorloven.
Het puntje naar beneden. Weet je niet zeker welke kant op: het is niet kritiek. De zaailing draait zichzelf goed, het kost hem alleen een dag.
Daarna niet meer gieten maar vernevelen. Een plantenspuit doet wat een gieter niet kan — hij spoelt het zaadje niet bloot.
Eerst barst het schilletje open en komt er een wit worteltje uit. Dat groeit naar beneden, niet omhoog — dat is het deel dat je op het keukenpapier ziet. Pas daarna duwt het stengeltje omhoog en trekt de twee ronde kiemblaadjes mee.
Die eerste twee blaadjes zijn rond en glad. Ze horen bij het zaadje en zijn geen echte bladeren; het eerste getande paar komt een paar dagen later. Worden de kiemblaadjes op een gegeven moment geel en vallen ze af, dan is dat geen tekort — hun werk zit er simpelweg op.
Wat er in deze dagen niet gebeurt, is groei die je van uur tot uur ziet. Een zaailing lijkt een paar dagen stil te staan terwijl hij wortels maakt. Dat is het moment waarop de meesten iets gaan veranderen, en precies dat is de fout.
Drie oorzaken dekken bijna alle gevallen, en alle drie zijn het de omstandigheden, niet het zaadje.
Het klinkt als boekhouden en het is toch het verschil tussen een kweek waar je iets van leert en een waarbij je de volgende keer weer zit te gokken.
Vier dingen zijn genoeg om mee te beginnen: de datum waarop het zaadje het water of de aarde in ging, de soort, de methode en de dag waarop de zaailing zich liet zien. Het verschil tussen die twee data is het getal dat je bij de volgende ronde wilt hebben — en dat geen enkele tabel op internet je voor jouw omstandigheden kan geven.
Vanaf de dag dat de kiemblaadjes boven staan, loopt de klok van de plant. Alles wat daarna komt — verpotten, de lichtwissel, het begin van de bloei — wordt vanaf die datum geteld. Schrijf je hem niet op, dan schat je later.
De meesten beginnen wanneer de zaadjes binnenkomen. Andersom is zinniger: je weet wanneer je wilt oogsten en rekent terug.
Een ronde bestaat uit ontkiemen plus de zaailingfase, de groeitijd, de bloeitijd en het drogen. Daarvan neemt het ontkiemen maar een of twee weken en het weegt nauwelijks mee; de bloeitijd staat op de verpakking en is het betrouwbaarste getal van de hele som. Samen geven ze de dag waarop je knipt — en nog eens tien tot veertien dagen later de dag waarop de oogst echt klaar is.
Met de hand zijn dat vier optellingen op een kladblaadje. De oogstdatumcalculator neemt ze van je over en rekent beide kanten op.
Meestal twee tot zeven dagen tot het worteltje zichtbaar is. Tel je de zaailingfase erbij — dus tot de plant op eigen kracht groeit — dan kom je op ongeveer een tot twee weken. Precies die marge zit als startfase in de oogstdatumcalculator.
Nodig is het niet. Doe je het toch, houd het dan bij een paar uur en breng het zaadje daarna meteen over naar vochtig papier of aarde. Een zaadje dat een nacht in een glas ligt, krijgt geen zuurstof — dan schaadt het weken meer dan het helpt.
Allebei werken. Papier laat je vroeg zien of het zaadje leeft, maar vraagt dat je het worteltje verplaatst. Aarde scheelt je die handeling en laat je een week in het ongewisse. Weinig zaadjes pleiten voor aarde, veel voor papier.
Nee, integendeel: tot de kiemblaadjes boven staan moet het donker zijn. Licht is pas nodig zodra de zaailing door de aarde komt. Dan wel meteen, anders schiet hij door en wordt hij slap.
Een aangename kamertemperatuur is genoeg; flink kouder vertraagt het, flink warmer droogt het uit. De streefwaarden voor temperatuur en luchtvochtigheid per fase — ook voor het ontkiemen — staan met rekenmachine op de VPD-pagina.
Ongeveer een centimeter, met het puntje naar beneden. Te diep is een vakere fout dan te ondiep: de zaailing heeft alleen de energie uit het zaadje om boven te komen.
Bijna altijd aan te veel water, te weinig warmte of te vaak kijken. Pas als die drie zijn uitgesloten, is het zinnig om het zaadje te verdenken. Oude zaadjes ontkiemen trager en minder betrouwbaar, maar ze ontkiemen.
Zodra de kiemblaadjes boven de aarde staan. In het begin met flink minder licht dan later — een zaailing verdraagt geen vol vermogen. Hoeveel licht er werkelijk aankomt, meet je met een luxmeter en reken je om met de lux-naar-PPFD-calculator.
Verplaatsen zodra het ongeveer een halve centimeter lang is. Wacht niet langer — hoe langer het worteltje, hoe makkelijker het breekt. Pak het zaadje alleen bij het schilletje, nooit bij het worteltje, en leg het met de wortel naar beneden in een klaargemaakt gaatje.
Aan het eerste paar getande blaadjes. De twee ronde kiemblaadjes daarvoor horen nog bij het zaadje. Zodra het echte paar er is, voedt de plant zichzelf — en daar begint de zaailingfase.